Home Podium Politiek Religie Hindoeisme Islam Suriname India Liefde Jongeren
Literair Poezie Zeepkist Gastenboek Links Disclaimer Contact

Kritisch Podium Dewanand

Literair

WEBpublication EBOOK wart0201 / EPAGE 71 of 87

Uitstervende Nederlanders
Mein Kampf, deel 2

SECTIE: 4. Heilige Nederlanders

4.6.1. Strijden tot de dood

Offeraar       Dewanand
Offercode      wart0201
Offerdatum     6 april 2005

Go to previous Epage ... Go to next Epage
  • Go to Inhoudsopgave: Uitstervende Nederlanders. Mein Kampf, deel 2
  • De teksten uit dit hoofdstuk zijn geschreven omstreeks oktober 1997, als nawoord voor mijn lijvig boek (ruim 350 pagina's) met als titel: 'Een geavanceerde visie op extreemrechts'. Ik heb de originele tekst wat aangepast om het geschikt te maken voor dit boek.

    Het was ergens in 1992, gedurende de eerste maanden, geloof ik. Snel even kijken in de mappen. De eerste aantekeningen op papier dateren van 2 april 1993. Op deze datum was ik bezig om een globale hoofdstukindeling te maken voor een boek van mijzelf over rechts-extremisme. Ik was 26 jaar oud en mijn hele verleden was heel woelig en ongestructureerd. Mijn leven was niet verlopen zoals het zou moeten, hoewel er geen blauwdruk bestaat voor de levensloop van een individu, die zijn eigen nek moet zien te redden.

    Als je iets vraagt aan iemand, krijg je altijd een momentaan antwoord, dat bovendien in hoge mate beïnvloed wordt door:

    1. Emoties van dat instantaan, en infiniteseminaal moment van die persoon.
    2. Aard van het voorafgaand gesprek.
    3. Verlangen naar voedsel of drank.
    4. Recentelijk genuttigde dranken en spijzen; alcohol kan het antwoord sterk beïnvloeden.
    5. Micro- en macro-omgeving. Dus de kleding, omgevingstemperatuur, luchtvochtigheid, zonlicht, maanlicht, verlichting, geluid(muziek, radio, televisie, telefoongerinkel, e.d.), etc. (hele waslijst).
    6. Tijdstip van de dag, dus of het ochtend, middag of avond is.
    7. Gevoelens voor de ander.
    8. Sociale omgeving; of er twee of meer mensen bij elkaar zijn op dat moment.
    9. Privacy van het gesprek.
    10. Lichaamshouding van dat instantaan moment. Iemand die op de grond ligt zal een heel ander antwoord geven, dan iemand die op het toilet zit.
    11. Psychologische toestand van de persoon. Hieronder vallen dus alle innerlijke processen en configuraties in het innerlijk, zoals bijvoorbeeld het momentaan zelfbeeld. Psychologische toestanden kunnen heel sterk fluctueren. Gesteld kan worden dat het hele momentane spectrum van de psyche een rol kan spelen bij het verwerken van een vraag, waardoor ook het hele innerlijk van dat infiniteseminale moment invloed kan uitoefenen op het verbale of non-verbale antwoord dat volgt. Dit kan dus heel gecompliceerd zijn, geloof ik, hoewel u misschien zal vinden dat ik het te ver zoek. Realiseer u dat innerlijke blokkades een grote rol spelen gedurende de communicatie tussen twee of meer levende wezens. Zaken zoals perceptie en gevoel, worden sterk beïnvloed door het moment zelf en door de emotionele toestand van de betreffende persoon.

    Er zijn zo nog een aantal subjectieve en objectieve factoren te noemen die een antwoord kunnen beïnvloeden. Feitelijk bestaan er geen objectieve factoren of invloedsvariabelen, omdat een echte psychiater weet dat ieder antwoord van een levende mens gekleurd wordt door subjectieve zaken. Objectiviteit bestaat dus niet. Illustratie. Vroeger (heel lang geleden, dus ver voor mijn geboorte) beschouwde men iemand die beweerde dat de zon om de aarde draait, als een objectieve Europese waarnemer; sommigen van deze figuren stonden destijds zelfs bekend als hooggeleerde en weledele heren (vrouwen, even excuses, want er waren toen geen vrouwelijke wetenschappers in Europa) en hun visie was wet, tenzij zij de visie van de gevestigde orde maar niet bedreigden. Maar iemand die na gedegen observatie beweerde dat het juist andersom was, liep het risico uitgemaakt te worden voor een subjectieve gek, of het kon nog erger, want hij (er waren geen vrouwelijke wetenschappers, dus geen gebruik van hsij) kon zelfs gezien worden als een reëel gevaar voor de hele beschaafde Europese samenleving en werd in sommige gevallen zelfs ter dood veroordeeld, levend verbrand of verketterd door de bijbelse rechtslieden.

    Goed nu terug naar de kern van dit artikel. Wat was mijn motivatie om een dik boek over rechts-extremisme te schrijven? Welk probleem wilde ik oplossen?

    In 1992 begon ik dit boek te schrijven. In datzelfde jaar had ik kennis gemaakt met mijn eerste vriendin. Het ging om een Nederlands meisje van 24 jaar en met een lichaamslengte van 1,74 meter, dus veel langer dan mij. Daarvoor geloofde ik helemaal niet meer dat een meisje mij nog ooit zou willen. Dit meisje, C.D. genaamd, wilde met mij verder gaan en bleek ook nog eens verliefd op mij te zijn. Dit was iets wat mijn wereldbeeld grondig veranderde. Want voor het eerst van mijn leven maakte ik kennis met de liefde van een vrouw en ik werd op mijn beurt ook zwaar verliefd op dit meisje. Zij was van Nederlandse afkomst, dus blank, hoewel zij wel een beetje Indonesisch bloed had. De relatie met haar veranderde mijn gehele innerlijk in één grote, ja heel grote, klap. Want daarvoor geloofde ik niet meer dat een vrouw mij nog ooit als man zou willen. Voor mij was deze liefdesrelatie met een meisje een wereldschokkende gebeurtenis. Ik besefte toen dat ik het verder moest doen met een blank Nederlands meisje en dat was vroeger helemaal niet mijn ideaal. Vroeger wilde ik een rasecht Hindoestaans meisje, maar die waren niet te vinden in Nederland en die zouden mij toch nooit zonder een universitaire titel willen. Ook zou mijn geringe lichaamslengte, van 1.643 meter, hun weerhouden om met mij een relatie aan te gaan. C.D. toonde wel geduld met mij, hoewel het voor mij heel moeilijk was om met haar liefde te bedrijven, want ik was smoorverliefd. Het werd een relatie met veel hoogte- en dieptepunten. Ik veranderde heel sterk en begon mij een echt volwaardig lid te voelen van de Nederlandse samenleving. Ik wilde zo Nederlands (blank) mogelijk zijn, maar zij wilde juist een man met een eigen karakter en een sterke eigen identiteit. Het Hindoestaans zijn van mij trok haar het meeste aan, of eigenlijk ging het om het buitenlands zijn van mij. Het was wel heel moeilijk om met haar een goede relatie aan te gaan, want haar familie en kennissen zagen mij helemaal niet zitten. Ik kon mijn verlangens naar haar niet onder controle krijgen en langzamerhand werd deze relatie voor mij een ware marteling, die mij iedere dag inwendig omroerde.

    In 1992 liep mijn verblijfsvergunning af en het werd zeer onzeker of ik nog in Nederland kon blijven. Tot dat jaar was ik al zeker zes jaren in Nederland. Mijn gehele persoonlijkheidsontwikkeling had zich in Nederland afgespeeld en ik was geheel aangepast aan het leven in Nederland. Met mijn familie in Suriname had ik vrijwel geen banden meer. Af en toe kwam er wel een brief van mijn moeder (overleden in juni 2003), maar de inhoud deed mij altijd walgen, omdat zij mij duidelijk maakte dat ik niet meer welkom was bij haar, omdat ik toch totaal mislukt was. Met mijn moeder had ik sedert mijn prille jeugd een zeer problematische relatie, omdat zij mij feitelijk niet accepteerde, vanwege mijn uiterlijk. Haar gevoelens voor mij waren zeer afwijzend en vaak zeer hatelijk. Zij had mij heel vaak mishandeld en dagelijks vernederd en uitgescholden. Daarom had ik in 1986 besloten om haar voorgoed te verlaten en nooit meer terug te keren.

    In 1992 wist ik op een bepaalde manier niet meer wat ik moest doen. Met mijn studie ging alles mis. Mijn eerste relatie met het vrouwelijk geslacht werd problematisch. Mijn verblijfsvergunning liep langzaam maar zeker af en er waren geen kansen voor een verlenging. Aan het eind van dat jaar zat ik in een totale crisis, de zoveelste in mijn korte leven. Ik was depressief, en dacht vrijwel iedere dag aan zelfmoord, want dat leek voor mij destijds de beste oplossing. Het was een periode van dagelijkse ellende en totale wanhoop. Ik besloot om te vechten en tot het uiterste te gaan. Gewoon volhouden tot het bittere eind. Knokken om zelfbehoud had ik weliswaar sedert mijn jeugd geleerd. Op de lagere school zat ik ook in een flinke crisis, omdat iedereen in Suriname mij toen discrimineerde vanwege mijn klein gebouwd lichaam. Deze ervaringen hebben mij al vroeg geleerd om voor mijn rechten op te komen en tot het uiterste te gaan in tijd van nood. Het leven is een darwinistische strijd om te overleven; dit was mijn devies. En die strijd ging ik ook aan.

    Begin 1993 was mijn relatie met C.D. definitief beëindigd. Ik had het na een fikse ruzie uitgemaakt, want zij bezorgde mij alleen maar problemen en bood geen enkele zekerheid. Bovendien zag zij mij niet als mens, maar als een intelligente aap en dat kon ik niet langer aan. Een andere oorzaak was dat zij niet met mij wilde trouwen, zodat ik een verblijfsvergunning kon krijgen. Nee, daar wilde zij zich niet mee bemoeien, ik moest het alleen uitvechten. Depressie na depressie volgden elkaar op in 1993, want ik had helemaal geen inkomen meer. Mijn studiebeurs was stopgezet, omdat ik geen student meer was. Werk kon ik ook niet krijgen, omdat ik geen verblijfsvergunning had. En niemand keek meer om naar mij. Mijn familie vond mij toch minderwaardig en zij hadden mij min of meer verstoten. Voor hun was ik praktisch al dood. Zelfs mijn eigen vader in Nederland keek helemaal niet om naar mij. Hij legde de telefoon zelfs koelbloedig neer, als ik hem belde en verzocht om hulp en steun. En mijn toekomst, ja welke toekomst, er was voor mij geen toekomst meer. Ik was helemaal alleen op de wereld en kon nog alleen hopen op een eervolle en snelle dood. Zo dacht ik iedere dag en het is ongelooflijk dat ik die periode heb overleefd.

    Ik had echter in 1993 een beslissing genomen. Tot het uiterste vechten en desnoods tot de dood. Mijn leven zou ik duur verkopen. Ik stelde mijzelf toen herhaaldelijk de vraag wie mijn grootste vijanden waren. Wie waren die mensen in Nederland die ernaar streefden om mij het land uit te gooien? Dat wilde ik weten en ik wilde hun persoonlijk ontmoeten. Daarom begon ik alle rechtse partijen te onderzoeken. Ik wilde weten wat zij echt vonden van buitenlanders en of zij mij ook het land uit wilden, want dat moesten zij echt niet durven. In alle wanhoop maakte ik extreme plannen. Zo was ik van plan om enkele grote rechtse leiders dood te schieten, als ik het land uit zou worden gezet. Of ik zou zelfmoord plegen, door mijzelf levend te verbranden, met honderd liter benzine in mijn studentenkamer, volgens de tactiek van de verschroeide aarde. Ik wilde mijzelf heel duur verkopen, want op een bepaalde manier vond ik mijn leven toch veel waard, hoewel niemand mij daarbij steunde. Daarom broedde er een plan in mij om een heleboel huizen in brand te steken en daarna op een vulgaire wijze zelfmoord te plegen.

    In 1993 zat ik lekker zonder inkomen. Ik leefde toen van wat geleend geld en wat kleine reserves van mijn spaarrekening. Ieder dubbeltje was kostbaar en moest daarom tien keer worden omgedraaid voor het uitgegeven werd. Ik heb evenwel in deze periode niet zwart gewerkt, want ik leefde heel zuinig. Recht op een uitkering had ik niet omdat ik geen verblijfszekerheid had. Het maakte mij wel woedend. Toch had ik heel laat een uitkering aangevraagd, want feitelijk vond ik zelf dat ik te trots was om verzorgd te worden door de Nederlandse rechtsstaat. Wel deed ik aan winkeldiefstal om wat 'illegale korting' te verkrijgen op eenvoudige levensmiddelen. Dit hele jaar ging met veel rampen gepaard. Ik belandde enkele keren in de cel wegens woedeaanvallen, want ik kon mijzelf niet inhouden als ik een aanval had. Mijn depressies waren hevig en iedere nacht lag ik tot vier uur 's morgens wakker van het piekeren. Medicijnen gaven mij geen rust en ik realiseerde mij dat ik een echte paria was in de Nederlandse samenleving. Ik behoorde nu dus tot het uitschot van de samenleving en kon alleen nog hopen dat ik snel dood mocht gaan. Zelf was ik vastberaden om zelfmoord te plegen als de zaken totaal verloren zouden zijn en ik dus met geweld teruggestuurd zou worden naar Suriname.

    Naar Suriname teruggaan in deze toestand leek mij slechter dan zelfmoord. Want het leven in Suriname kende ik niet meer en er was daar niemand die mij met open armen zou ontvangen. Niemand schreef mij meer vanuit Suriname. Iedereen verlaat immers een zinkend schip. Ik wilde niet van de wal in de sloot terecht komen. Als mislukte Hindoestaan kan je liever zelfmoord plegen. Zo denken de meeste Hindoestanen en daarom is het zelfmoordpercentage onder hen ook zo hoog. In Suriname plegen Hindoestanen veel eerder zelfmoord dan negers. Ik dacht echt als een Hindoestaan, maar ik zou eerst wel tot het uiterste gaan om mijn leven te redden. Over Suriname zelf wist ik niet veel meer. Wel leefde ik met een hele grote angst voor Surinamers, want ik was ook zwaar mishandeld door hen in het verleden, vanaf mijn jeugd. In Suriname hadden negers de macht en zij streefden ernaar om alle Hindoestanen uit te roeien en alle meisjes te verkrachten om hen te bevruchten met negergenen. Negers voerden een hele genocide tegen Hindoestanen in Suriname. Suriname was voor mij een vernegerd land, zonder enige hoop en geheel verloren. Surinaamse meisjes zouden mij immers ook niet meer willen. Ik was een afvallige nu en een psychisch wrak, dat aan alle kanten gehavend was. Gewoon reddeloos verloren. Zo voelde het wel aan. Innerlijk was ik totaal gebroken en geloofde echt nergens meer in. Ik stond met mijn rug tegen een gepantserde stalen muur en kon geen kant op.

    Eind 1993 was mijn leven totaal uitzichtloos. Ik kon iedere dag opgepakt en uitgezet worden. Drie advocaten hadden mij gewoon weggestuurd, omdat zij geen enkele mogelijkheid zagen voor een succesvolle afloop van mijn rechtszaak. Dat maakte mij helemaal kapot en mijn wanhoop was totaal. Er kon nu nog alleen een wonder gebeuren dat mij zou kunnen redden. Doordat ik geen levensritme meer had, leefde ik van de hak op de tak. Iedere dag was een probleem en het hele leven was zinloos. Maar iedere dag zat ik na te denken over rechts-extremisme en alles wat daarmee te maken heeft. Af en toe droomde ik zelfs hierover en kreeg nieuwe invallen, die ik dan ook meteen opschreef. Mijn inzichten in de problematiek van een multiculturele samenleving namen langzaam maar zeker toe. Ik begon temidden van alle ellende te begrijpen hoe de complexiteit van een multi-etnische samenleving in elkaar stak en schreef dit alles zo snel mogelijk op. Uit deze tijd stamt het grootste gedeelte van mijn boek.

    In 1994 besloot ik om de strijd aan te gaan. Een advocaat was bereid om voor mij de zaak aanhangig te maken. Er volgde een kort geding op 24 juni 1994. De rechter begreep gelukkig dat ik in hoge mate suïcidaal was en had dat ook gemerkt in de rechtszaal. Het hele officiële gedoe interesseerde mij niet meer. Tijdens die rechtszitting was ik woedend op de advocaat van het ministerie van Justitie. Het was toevallig een vrouw, die zeer gemeen verklaarde dat er geen enkel probleem was om mij het land uit te gooien. Net toen ik op het punt stond om dat advocatenwijf in elkaar te slaan in de rechtszaal greep de rechter in en verzocht mij om buiten te gaan wachten tot de uitspraak. Misschien was dat wel mijn geluk, want een advocaat in elkaar slaan past niet echt in een rechtszaal. Gelukkig werd dit kort geding in mijn voordeel beslist, zodat ik nu wat meer zekerheden kreeg. Door dit kort geding had ik nu zelfs recht op een uitkering van de gemeente en mocht het verdere beroep in Nederland afwachten. Ik had een overwinning behaald en was lichtelijk gerustgesteld.

    Na juni 1994 besloot ik om mijn leven wat te beteren. Dagelijks werkte ik toen serieus aan mijn boek over rechts-extremisme en iedere dag kwam ik op nieuwe ideeën. Ook werkte ik aan een Science Fiction roman over drs. Hans Janmaat (vrede zij met zijn oernederlandse ziel) en zijn beroemde partij. Toch had ik geen enkele verblijfszekerheid. Mijn hele leven stond stil en ik ergerde mij ontzettend aan de Nederlandse bureaucratie. Alles ging zo langzaam en ik liep een nog grotere achterstand op, die misschien nooit meer ingehaald zou kunnen worden.

    Het was mijn doel om de rechts-extremisten beter te begrijpen dan zij zichzelf konden begrijpen. Dit boek moest een totalitaire visie bevatten op rechts-extremisme en alles wat daarmee te maken kon hebben, direct of indirect. Daarom is dit boek zeer uitgebreid en handelt het over zaken die ogenschijnlijk niets met het onderwerp te maken hebben. De hoofdvraag voor mij in dit boek was om te achterhalen hoe ik een multi-etnische samenleving zonder rassenkonflikten kon organiseren. Wat hield bijvoorbeeld de multiculturele samenleving in? Welke complexe sociaal-psychologische processen op micro en macro niveau speelden zich af? Dat was een van de doelen van de totaalanalyse die ik voor ogen had en dat alles heb ik netjes en geduldig neergepend in dit boek. De titel luidde: "Een geavanceerde visie op Rechts-extremisme". En ik had als doelstelling dat dit boek echt geavanceerd moest zijn. Het moest een boek worden dat nog tien millennia kon worden benut, ten goede wel te verstaan. Want ik had niet de intentie om een soort koran te schrijven, met alle bloedige gevolgen van dien.

    Eind 1994 was ik al aardig opgeschoten met mijn leven en al een beetje hersteld. Toch had ik nog geen enkele rechtszekerheid en er waren heel veel mensen die niets met mij te maken wilden hebben. Ik had echter na het kortgeding een motto aangenomen, namelijk: "Der Krieg hat angefangen" (vert. De oorlog is begonnen.); het was de oorlog tegen de stomme Nederlandse vreemdelingenwetten. Ik vond dat ik recht had om op humanitaire gronden een permanente verblijfsvergunning te verkrijgen en daar zou ik bloedig voor strijden. Mijn hele leven was tot nu toe een grote strijd en ik stond altijd alleen temidden van miljoenen vijanden. Nu had ik de hele Nederlandse staat tegen mij en ik vond mijzelf toch iets waard. Voor hen was ik slechts een nummer, maar owee, als zij mijn toekomst zouden vernietigen, dan zou ik hard terugslaan. Er spookten regelmatig gedachten door mijn hoofd. Soms wilde ik het gewoon opgeven en een zelfmoordactie starten. Dan wilde ik de ministerzaal instormen en alle ministers van Nederland doodschieten of doodmartelen. Dan zouden zij echt voelen wat het is om met je rug tegen de muur te staan. Die Nederlandse ministers met hun salarissen van twee ton netto, weten gewoon niet wat hun onbetekenende buitenlandse nummers meemaken. Als zij naar het buitenland gaan, verblijven zij in de duurste hotels, terwijl de Nederlandse belastingbetaler daar fel tegen is. Waar blijft de democratie of mag het volk niet meer zelf bepalen wat hun ministerraad wel en niet mag doen met de schaarse belastinggelden.

    Langzaamaan raakte ik toch weer in een crisis, omdat ik besefte dat mijn leven toch zinloos was. Er begon een nieuwe periode, waarin ik veel ups en downs meemaakte net als altijd. Nu was ik weliswaar wel gewend aan problemen en spanningen, want zo ging het al vanaf mijn jeugd. Een verschoppeling van de samenleving zijn. Geen enkel meisje zou met mij nog een relatie willen. Als niet-blanke en niet-neger ben je gewoon niets waard in de samenleving, tenzij je een titel hebt. Zo dacht ik en dat maakten tientallen mensen, grotendeels Hindoestanen, mij iedere dag keihard duidelijk. Ik werd overal eruit gegooid, want ik behoorde tot de lower-lower pariakaste in Nederland. Niemand accepteerde mij en daar moest ik hoe dan ook mee leren leven. Een dubbeltje kan geen kwartje worden, dat was voor mij van toepassing. Ik moest tevreden leren zijn met niets. Dat was de eindconclusie. En de dood scheen weer voor mij de beste oplossing te zijn, want dan zou ik niet meer gediscrimineerd worden door mensen.

    Mijn motto werd dus:
    "De mens heeft gelukkig de mens als natuurlijke vijand. Helaas gaat dit nu ten koste van alle andere levende (niet-intelligente?) organismen op ruimteschip aarde."

    Beseffen dat je geen toekomst meer hebt, is eigenlijk iets verschrikkelijks. Je leeft nog, maar je hebt er geen zin meer in. Je wil dood gaan, maar je hebt toch de kracht niet om van de hoogste flat te springen. Je ziet de trein aankomen en fantaseert dan dat je ervoor springt en in honderden bloedige stukken wordt verdeeld door die metalen bom. Het is vreselijk. Toch had ik besloten om tot het uiterste te gaan. Er kwam echter slecht nieuws voor mij. In mei 1995 werd ik na een bloedonderzoek met spoed naar de internist gezonden. Mijn schildklier werkte niet goed en ik kon een hartaanval krijgen als dit zo zou doorgaan. Een behandeling met een heleboel afschuwelijke medicijnen volgde nu en ik verloor nu echt opnieuw alle zin in het leven. Waarom doorleven en waarvoor? Als ik nu gehandicapt zou worden zou ik beslist zelfmoord plegen. Zo dacht ik echt. Geen toekomst staat gelijk aan de dood. Ik overwoog serieus om een officieel verzoek voor euthanasie in te dienen bij mijn huisarts.

    Op een wanhopige dag in juli 1995 werd ik vroeg 's morgens gebeld door de secretaresse van mijn advocaat. Zij vertelde mij in een enthousiastische bui, dat ik een verblijfsvergunning had gekregen. Dit nieuws deed mij niet echt veel, want ik dacht eerst dat het een grapje was van hen, om die gekke buitenlander even te pesten. Die dag was eigenlijk een dieptepunt, vooral vanwege mijn defecte schildklier. Ik besefte dat ik zowel psychisch als lichamelijk getekend was voor de rest van mijn leven. Kansen op werk, een vrouw en kinderen waren nu veel minder dan vroeger en ik wist niet waarvoor ik nog voor moest gaan leven. Leven was een ware marteling en ik overwoog serieus om zelfmoord te plegen, want een Hindoestaan die mislukt is, moet besluiten om het leven te beëindigen, dan een last te worden voor hsijn gemeenschap. Hindoestanen hebben een hele traditie van zelfmoorden. Zo was het zelfmoordpercentage onder de Indiase immigranten, mijn heilige voorouders, heel groot en beslist hoger dan dat van de negerslaven of Indonesische immigranten. Die traditie zat toch een beetje in mijn bloed.

    In augustus 1995 kreeg ik van de vreemdelingendienst een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Tot het laatste moment toe wantrouwde ik dit hele proces, want de koningin kon nog op het laatste moment ingrijpen en besluiten om mij het land uit te gooien, omdat zij misschien wel iets tegen mij had. Ik wist niet wat mij overkwam. Wonderbaarlijk genoeg kreeg ik eind 1995 zelfs een Nederlands paspoort, zodat het nu geheel zeker was dat ik niet terug hoefde naar Suriname. Nu was ik dus volwaardig burger in Nederland en kon gebruik en misbruik maken van de Nederlandse wetten, net als iedere Nederlander ook doet. Een rasechte Nederlander was ik echter niet, vanwege het feit dat zo een 0,003 procent van mijn genen ietsje anders waren dan die van de blanke, autochtone Nederlanders. Begrijp echter dat het helemaal niet mijn droom was om een Nederlands paspoort te krijgen. Ik wilde gewoon nooit meer terug naar Suriname, want daar had ik op geen enkele manier toekomst. En ik moest in psychologisch opzicht afstand nemen van alle problemen en associaties uit mijn traumatisch verleden. Het Nederlands paspoort hielp mij daarbij en ik was er dik tevreden over. Medio 1995 had ik mijn eerste roman over de Centrum Democraten afgemaakt, die helaas niet publicabel genoeg bleek te zijn, waardoor ik gedwongen ben om het te herschrijven.

    Er kwam echter nog een klap. Veel Hindoestaanse kennissen van mij schenen helemaal niet blij te zijn dat ik, die paria uit het verleden, nu alles had. Zij vroegen mij wel tien keer of ik dat Nederlands paspoort nu al had of niet en konden het helemaal niet geloven. Zij gunden mij het niet, terwijl ik er heel hard voor gevochten had en echt geen enkele kant meer op kon. Voor hun familieleden die het altijd zo goed hadden in Suriname, regelden zij wel allerlei sluipwegen en schijngeliefden, zodat die snel een verblijfsvergunning konden verkrijgen. Die mensen die alles illegaal regelden, gunden mij een rechtmatig verkregen verblijfsstatus helemaal niet. Dat was een hele klap. Sommigen wilden zelfs mijn paspoort kopen, ten gunste van hun heilige en egoïstische familieleden. Andere Surinamers schenen mij het ook niet te gunnen, omdat ik immers van zeer lage afkomst was en geen recht had op een zinvol bestaan. Deze houding was het harde bewijs van hun hele ziekmakende mentaliteit. Ik raakte toch verbitterd hierdoor en besefte op een bepaalde manier dat mijn grootste vijanden mijn eigen mensen waren. Door dit alles begon ik met verdubbelde motivatie te werken aan de voltooiing van mijn geavanceerde visie op rechts-extremisme. En ik ben tot nu toe vastbesloten om de vreemdelingenwetten rechtvaardig te houden en leefbaar voor iedereen die daar terecht recht op heeft. En, last but not least, ook ik ben tegen misbruik en parasiteren.

    ***

    Go to previous Epage ... Go to next Epage
  • Go to Inhoudsopgave: Uitstervende Nederlanders. Mein Kampf, deel 2
  • WEBpublication EBOOK wart0201 / EPAGE 71 of 87


    Home Podium Politiek Religie Hindoeisme Islam Suriname India Liefde Jongeren
    Literair Poezie Zeepkist Gastenboek Links Disclaimer Contact

    Kritisch Podium Dewanand

    Literair
    Alle rechten voorbehouden; All rights reserved
    Offercode: wart0201
    Copyright @ Dewanand 2005